De prognose van vaginisme en dyspareünie varieert afhankelijk van de aard van
de geassocieerde organische en psychologische problemen en het succes van de
medische, kinesitherapeutische en psychoseksuele behandeling. In gevallen met
een zuiver lichamelijke (somatische) of heel eenvoudige psychogene oorzaak
liggen de succesratio’s
hoog. Scholl (1988) heeft een groep van vaginistische patiënten over een periode
van vier jaar onderzocht en vond een gemiddeld succesratio van meer dan 90% (bij
louter lichamelijke oorzaak). De lengte van de therapie werd
geanalyseerd en men zag een associatie met de volgende factoren: duur van de
disfunctie, het concept van de patiënt over de oorzaak van het probleem,
vroegere pogingen om operatief behandeld te worden, motivationele factoren
(zwangerschap), steun van de echtgenoot, voorafgaande organische
abnormaliteiten, graad van seksueel inzicht en kennis, angst voor seksueel
overdraagbare ziektes, attitudes van de ouders m.b.t. seksualiteit en de houding
van de patiënt t.a.v. de genitaliën. Succesvolle resultaten waren gerelateerd
aan het verlangen om zwanger te worden (dit werd ook bevestigd door Drenth et
al., 1996), een goede relatie en de motivatie van het koppel. Niet-succesvolle
prognoses werden gevonden bij koppels met anatomische abnormaliteiten, negatieve
attitudes t.a.v. de genitaliën en seksualiteit, angst voor seksueel
overdraagbare aandoeningen en negatieve ouderlijke attitudes t.a.v.
seksualiteit.
Over het algemeen kunnen we dus stellen dat de prognose van vaginisme en
dyspareünie, mits adequate behandeling en afwezige comorbiditeit, uitermate
gunstig is. De succesratio’s liggen hoog bij personen met een louter
lichamelijke oorzaak van vaginisme (met uitsluiting van medische problemen). (Beck, 1993; Halvorsen,
1992; Van de Wiel et al., 1990; Leiblum et al., 1989; Scholl, 1988; Shortle en
Jewelewicz, 1986; Lazarus, 1963).